"Listed as a historic monument since 30 July 1910\n\nHistory:\nFirst half of the 12th and 20th centuries.\n\nRemarkably restored by the Beaux-Arts under the direction of architect Merlet, \u201Cit was one of the finest Romanesque buildings on the Caen plain\u201D...."@en . "Class\u00E9e monument historique depuis le 30 juillet 1910\n\nHistoire :\nPremi\u00E8re moiti\u00E9 du XIIe et XXe si\u00E8cles.\n\nRemarquablement reconstitu\u00E9e par les Beaux-Arts par l\u2019architecte Merlet \u00AB elle \u00E9tait l\u2019un des plus beaux \u00E9difices romans de la plaine de Caen..."@fr . . . . . . . . . "Listed as a historic monument since 30 July 1910\n\nHistory:\nFirst half of the 12th and 20th centuries.\n\nRemarkably restored by the Beaux-Arts under the direction of architect Merlet, \u201Cit was one of the finest Romanesque buildings on the Caen plain\u201D...."@en . "Class\u00E9e monument historique depuis le 30 juillet 1910\n\nHistoire :\nPremi\u00E8re moiti\u00E9 du XIIe et XXe si\u00E8cles.\n\nRemarquablement reconstitu\u00E9e par les Beaux-Arts par l\u2019architecte Merlet \u00AB elle \u00E9tait l\u2019un des plus beaux \u00E9difices romans de la plaine de Caen..."@fr . "Seit dem 30. Juli 1910 unter Denkmalschutz\n\nGeschichte:\nErste H\u00E4lfte des 12. und 20. Jahrhunderts.\n\nVom Institut des Beaux-Arts unter der Leitung des Architekten Merlet hervorragend restauriert \u2013 sie war eines der sch\u00F6nsten romanischen Bauwerke in der Ebene von Caen..."@de . "Sinds 30 juli 1910 geklasseerd als historisch monument\n\nGeschiedenis:\nEerste helft van de 12e en 20e eeuw.\n\nOpmerkelijk gerestaureerd door de Dienst voor Schone Kunsten onder leiding van architect Merlet \u2013 het was een van de mooiste romaanse gebouwen in de vlakte van Caen..."@nl . "Declarada monumento hist\u00F3rico desde el 30 de julio de 1910\n\nHistoria:\nPrimera mitad de los siglos XII y XX.\n\nRestaurada de forma notable por el Departamento de Bellas Artes bajo la direcci\u00F3n del arquitecto Merlet, fue uno de los edificios rom\u00E1nicos m\u00E1s bellos de la llanura de Caen..."@es . "Dichiarato monumento storico dal 30 luglio 1910\n\nStoria:\nPrima met\u00E0 del XII e del XX secolo.\n\nRicostruito in modo eccellente dal Dipartimento delle Belle Arti sotto la guida dell\u2019architetto Merlet, era uno degli edifici romanici pi\u00F9 belli della pianura di Caen..."@it . . "Sinds 30 juli 1910 geklasseerd als historisch monument\n\nGeschiedenis:\nEerste helft van de 12e en 20e eeuw.\n\nOpmerkelijk gerestaureerd door de Dienst voor Schone Kunsten onder leiding van architect Merlet %AB het was een van de mooiste romaanse gebouwen in de vlakte van Caen %BB. \nHet koor zou dateren uit de eerste helft van de 12e eeuw, evenals het transept. \nHet schip dateert uit de 13e eeuw en de gevel lijkt uit het einde van de 12e of het begin van de 13e eeuw te stammen.\n \n\"De kerk van Cheux is zeer groot en stond in verhouding tot het vroegere belang van dit dorp, hoofdplaats van een sergenterie van de %E9lection van Caen; zij bestaat uit een lang schip met zijbeuken, transepten, een apsis en twee aanliggende kapellen aan weerszijden van de apsis, ten oosten van het transept.\u201D (Arcisse de Caumont 1-215)\nStatistique monumentale du Calvados. Deel 1 / door M. de Caumont,... | Gallica \n\nTen tijde van de Bevrijding, tijdens de bombardementen van 1944, lieten de Duitsers munitie in de toren ontploffen, waardoor deze werd verwoest, evenals tweederde van de kerk. De kapellen waar Arcisse de Caumont over spreekt, zijn verdwenen.\n\nDe glas-in-loodramen van de kerk van Cheux waren, v\u00F3\u00F3r de verwoesting, vervaardigd op de Mont-Saint-Michel. \n \nM. Than, docent aan het Coll\u00E8ge des Arts en rector van de universiteit, was in de 18e eeuw pastoor van Cheux. Hij stierf in 1765 en was de auteur van een Latijnse en Franse grammatica.\n \nOpgedragen aan Sint Vigor, bisschop van Bayeux rond 538, een tijdgenoot van Clovis. \nSint Vigor werd lange tijd vereerd in de kloosters die waren gesticht door Eudes, bisschop van Bayeux en broer van Willem in de 11e eeuw. Volgens de legende zou hij een zwerm verwoestende ganzen hebben afgeleid en vervolgens een draak hebben laten verdwijnen die de regio teisterde. Maar serieuzer gezegd: hij maakte een einde aan de laatste overblijfselen van het heidendom in de Bessin. Er worden hem ook nog twee andere wonderen van dezelfde aard toegeschreven: \u00E9\u00E9n hier in Cheux, dat in de 6e eeuw CELLA heette, en \u00E9\u00E9n in Cambremer, destijds CAMERON.\n \nArchitectuur:\nHet koor en het transept zijn in romaanse stijl (12e eeuw). \n\nGrondplan: deze kerk, met een Latijns kruisvormig grondplan, heeft acht travee\u00EBn en is geori\u00EBnteerd (dat wil zeggen naar het oosten gericht). Het schip wordt geflankeerd door twee zijbeuken. Via het transept is het koor toegankelijk. Boven het transept staat een klokkentoren met paviljoenvorm. Het schip wordt overdekt door een zadeldak, de zijbeuken door een lessenaarsdak en het koor door een schilddak.\n\nBuitenaanzicht: de Sint-Vigor-kerk bestaat uit twee verdiepingen: de grote bogen op de eerste verdieping en de hoge ramen op de tweede. De gevel weerspiegelt het interieur van de kerk, aangezien het schip van de zijbeuken te onderscheiden is. Verder vallen de romaanse steunberen aan weerszijden van het portaal op; aan de noord- en zuidkant van de gevel bevinden zich kleinere steunberen. Deze gevel heeft drie verdiepingen.\n\nHet portaal bevindt zich op het eerste niveau: het wordt monumentaal gemaakt door de aanwezigheid van een arcade bestaande uit drie bogen. Deze bogen verwijzen naar de Drie-eenheid. De kleine zijbogen (van het type gebroken boog) zijn blind en rusten op pilasters. De grote boog die het toegangsportaal omsluit (van het type verlaagde spitsboog) bestaat uit drie pijlers en drie boogstenen; hij heeft een tympanon zonder gebeeldhouwde versieringen. Aan weerszijden van de centrale gevel zijn twee lancetvensters te zien, bekroond door rondbogen die op pilasters rusten. Deze lancetvensters geven uit op de zijbeuken.\n\nDe tweede verdieping van de gevel volgt de indeling van de eerste: er is een arcade met drie bogen (hier tonbogen) waarvan de zijbogen blind zijn. De centrale boog herbergt een raam. \nDe derde verdieping vertoont een roosvenster (een romaanse raamopening).\n\nWat betreft de zijmuren (aan de noord- en zuidzijde): deze bestaan uit twee niveaus. Er is een onderscheid tussen de opbouw van het schip (vijf travee\u00EBn) en die van het koor (twee travee\u00EBn). De muren van het schip worden bekroond door een kroonlijst met modillions. \nDe kroonlijst loopt niet door, omdat de steunberen deze in verschillende delen verdelen. Op elk niveau bevinden zich vier steunberen. Op het eerste niveau worden deze steunberen afgewisseld met kleine, langgerekte raamopeningen. Op het tweede niveau scheiden de steunberen vijf drietalige raamgroepen, waarvan de middelste opening opengewerkt is en een lancetvenster bevat. Wat de zijmuren van het koor betreft, bevinden zich op de tweede verdieping twee gekoppelde lancetvensters, gescheiden door een romaanse steunpilaar. Daarnaast zijn er in de transeptarm drie romaanse steunberen, een deur (met daarboven een rondboog met sleutelsteen) ten noorden van de zuidgevel en twee lancetvensters.\n\nDe klokkentoren, bekroond met een kroonlijst met modillions, bestaat uit twee verdiepingen. Op elke gevel bevinden zich op de eerste verdieping vijf vensters, waarvan er slechts twee opengewerkt zijn (er is een afwisseling). De tweede verdieping heeft vier raamopeningen aan de noord- en zuidzijde: de twee middelste raamopeningen zijn dubbel, en alle raamopeningen worden bekroond door een rondboog. De tweede verdieping telt vijf raamopeningen aan de west- en oostzijde: de drie middelste raamopeningen zijn opengewerkt, elke raamopening wordt gescheiden door een arcade met rondbogen.\n\nDe apsis heeft een halfronde vorm en bestaat uit drie verdiepingen. \nHet dak rust op een kroonlijst met modillions. De apsis wordt ritmisch onderbroken door verschillende pilasters die zich over de drie verdiepingen uitstrekken. De eerste verdieping bevat drie blinde arcaden met drie overspannen tonbogen. Deze bogen rusten op vier pilasters. De tweede verdieping bestaat uit drie raamopeningen, die ook hier worden gescheiden door de grote pilasters. Deze raamopeningen worden elk bekroond door een rondboog en beslaan slechts de helft van de hoogte van de tweede verdieping. De derde verdieping herbergt drie grote raamopeningen met daarboven een rondboog. Elk van deze drie raamopeningen wordt bekroond door een gebeeldhouwde versiering, waardoor ze extra tot hun recht komen. Zo vormt de oostgevel de apsis. Ook is het schip te onderscheiden van de zijbeuken, aangezien er drie gevels te zien zijn (\u00E9\u00E9n voor het schip en twee voor de zijbeuken).\n\nInterieur: het middenschip heeft een gebroken tongewelf en de zijbeuken een rondbooggewelf. \nOp de eerste verdieping bestaan de grote arcades uit verlaagde gebroken bogen, gescheiden door pilasters met kapitelen die plantmotieven voorstellen. Deze bogen rusten op pijlers die afwisselend cirkelvormig zijn of cirkelvormig en geflankeerd door zuilen. \nOp de tweede verdieping worden de hoge ramen bekroond door gespleten rondbogen, geflankeerd door pilasters. \nDe ingang van het transept wordt omringd door romaanse steunberen. De bogen op het niveau van het transept zijn overboogbogen en rusten op pilasters. \n\nHet koor baadt in het licht dankzij de raampartijen op beide niveaus. De ramen op de eerste verdieping worden afgewisseld met blinde ramen; de rondbogen rusten op pilasters. Op de tweede verdieping van het koor bevinden zich bredere ramen, die eveneens zijn voorzien van rondbogen die op pilasters rusten.\n\nDaarnaast is in een van de zijbeuken een van de twee gewelfsleutels te zien die na het bombardement van 1944 uit de ru\u00EFnes zijn teruggevonden (zie hieronder).\n\nIn de 19e eeuw, tijdens de wederopbouw, werd het uiterlijk gewijzigd en werden de openingen vergroot. In het schip dateert het houten gewelf uit de jaren 1860. \nIn de apsis zijn tijdens de restauratie van de kerk opgravingen uitgevoerd, waarbij de funderingen van pilaren zijn ontdekt. Op basis van deze ontdekking heeft de Dienst voor Schone Kunsten besloten deze pilaren te reconstrueren, hoewel ze v\u00F3\u00F3r 1944 niet bestonden.\nWat de klokkentoren betreft: het dak bestond vroeger uit hout bedekt met leisteen; tegenwoordig bestaat het dak uit dakpannen.\n\nInteressante voorwerpen / elementen:\n\nGrafsteen (beschermd object \u2013 CLMH 1908)\nDatum van vervaardiging: rond 1577 \nGrafsteen van Marie Mourin, echtgenote van Jehans d\u2019Aillefest, overleden in 1577. \n\nGewelfsleutels: Sint-Nicolaas en Sint-Vigor (geregistreerd object - ISMH 1988)\nDeze gebeeldhouwde gewelfsleutels dateren uit de 15e of 16e eeuw. \nGehouwen steen\nDe ene stelt Sint-Vigor voor, een bisschop met mijter, met de bisschopsstaf in de hand; hij houdt twee geketende monsters vast, symbolen van het heidendom. De andere stelt Sint-Nicolaas voor en de wonderbaarlijke legende van de zoutpot.\n\nKapitelen (geregistreerd object \u2013 ISMH 1988)\nDateren uit de middeleeuwen, gerestaureerd in 2017.\nGebeiteld steen \nStellen twee monnikskoppen voor\nDe restaurateurs Thomas Bonneau en Pauline Carminati hebben er sporen van polychromie ontdekt, wat aantoont dat%dit stuk oorspronkelijk zeer kleurrijk was en niet in de natuurlijke steenkleur zoals het er nu uitziet.\n\nBiechtstoel (geregistreerd object \u2013 ISMH 1985)\n18e eeuw\nGesneden hout\nBiechtstoel met een geschulpte vorm. \n\nBeeld: Christus aan het kruis (geregistreerd object - ISMH 1985)\n19e eeuw\nGesneden hout"@nl . "Listed as a historic monument since 30 July 1910\n\nHistory:\nFirst half of the 12th and 20th centuries.\n\nRemarkably restored by the Beaux-Arts under the direction of architect Merlet, \u201Cit was one of the finest Romanesque buildings on the Caen plain\u201D. \nThe chancel is thought to date from the first half of the 12th century, as is the transept. \nThe nave dates from the 13th century, whilst the fa\u00E7ade appears to be from the late 12th or early 13th century.\n \n\u201CThe church at Cheux is very large and reflected the former importance of this market town, the administrative centre of a sergenterie within the Caen election; it consists of a long nave flanked by side aisles, transepts, an apse and two chapels attached on either side of the apse, to the east of the transept.\u201D (Arcisse de Caumont 1-215)\nStatistiques monumentales du Calvados. Volume 1 / by M. de Caumont,... | Gallica \n\nAt the time of the Liberation, during the bombings of 1944, the Germans detonated munitions stored in the tower, which was destroyed along with two-thirds of the church. The chapels mentioned by Arcisse de Caumont have disappeared.\n\nThe stained-glass windows of Cheux Church, prior to its destruction, had been crafted at Mont-Saint-Michel. \n \nM. Than, a professor at the College of Arts and Rectors of Universities, served as parish priest of Cheux in the 18th century. He died in 1765 and was the author of a Latin and French grammar.\n \nDedicated to Saint Vigor, Bishop of Bayeux around 538, a contemporary of Clovis. \nSaint Vigor was long venerated in the monasteries founded by Eudes, Bishop of Bayeux and brother of William, in the 11th century. According to legend, he is said to have diverted a flock of devastating geese and then managed to make a dragon that was ravaging the region disappear. More seriously, he eradicated the remnants of paganism in the Bessin region. He is also credited with two other miracles of a similar nature: one here in Cheux, which in the 6th century was called CELLA, and one in Cambremer, known as CAMERON at the time.\n \nArchitecture:\nThe chancel and transept are in the Romanesque style (12th century). \n\nLayout: this church, with a Latin cross plan, has eight bays and is oriented (that is to say, facing east). The nave is flanked by two side aisles. The transept provides access to the chancel. A bell tower with a pavilion sits above the transept. The nave is topped by a gable roof, the side aisles by a lean-to roof and the chancel by a hipped roof.\n\nExternal elevation: Saint Vigor\u2019s Church comprises two storeys: the large arches on the first storey and the tall windows on the second. The fa\u00E7ade mirrors the interior of the church, as the nave can be distinguished from the side aisles. Furthermore, Romanesque buttresses can be seen on either side of the portal; smaller buttresses are situated at the northern and southern ends of the fa\u00E7ade. This fa\u00E7ade has three levels.\n\nThe portal is situated on the first level: it is emphasised by an arcature comprising three arches. These symbolise the Trinity. The small side arches (of the pointed arch type) are blind and rest on pilasters. The large arch housing the entrance portal (a low pointed arch) consists of three jambs and three voussoirs; it has a tympanum without any sculpted decoration. On either side of the central fa\u00E7ade, there are two lancet windows surmounted by semicircular arches resting on pilasters. These lancet windows open onto the side aisles.\n\nThe second level of the fa\u00E7ade follows the layout of the first: there is an arcade of three arches (here barrel-vaulted), the outer ones of which are blind. The central arch contains a window. \nThe third level features a rose window (which is a Romanesque window).\n\nAs for the side walls (to the north and south), they consist of two levels. A distinction can be made between the elevation of the nave (five bays) and that of the chancel (two bays). The walls of the nave are surmounted by a cornice with modillions. \nThe cornice is not continuous, as the buttresses divide it into several sections. There are four buttresses on each level. On the first level, these buttresses alternate with small, elongated windows. On the second storey, the buttresses separate five groups of three windows, the central opening of each group being openwork and featuring a lancet window. As for the side walls of the chancel, the second storey features two twin lancet windows separated by a Romanesque buttress. Furthermore, the transept arm features three Romanesque buttresses, a door (surmounted by a keystoned semicircular arch) to the north of the south fa\u00E7ade, and two lancet windows.\n\nThe bell tower, surmounted by a modillion cornice, comprises two storeys. On each side, the first storey has five openings, of which only two are openwork (they alternate). The second storey has four openings on the north and south sides: the two central openings are twin lancets, and all the openings are surmounted by a semicircular arch. The second storey has five openings on the west and east sides: the three central openings are openwork, and each opening is separated by an arcade of semicircular arches.\n\nThe chancel is semi-circular in shape and comprises three storeys. \nThe roof rests on a modillion cornice. The chancel is punctuated by several pilasters extending across all three storeys. The first storey features three blind arcades, each with three ogee barrel vaults. These arches rest on four pilasters. The second level comprises three bays, again separated by large pilasters. Each of these bays is surmounted by a semicircular arch and occupies only half the height of the second level. The third level features three large openings surmounted by semicircular arches. A sculpted decoration crowns each of these three openings, thereby highlighting them. Thus, the east fa\u00E7ade features the chancel. One can also distinguish the nave from the side aisles, as there are three gables (one for the nave and two for the side aisles).\n\nInterior elevation: the nave has a segmental barrel vault, whilst the side aisles have a semi-circular barrel vault. \nOn the ground floor, the large arcades consist of lowered pointed arches, separated by pilasters with capitals featuring plant motifs. These arches rest on pillars alternating between circular forms and circular forms flanked by columns. \nOn the second level, the tall windows are topped by keystoned semicircular arches and flanked by pilasters. \nThe entrance to the transept is flanked by Romanesque buttresses. The arches found at the transept level are ogee arches and rest on pilasters. \n\nThe chancel is bathed in light thanks to the windows found on both levels. The windows on the first level alternate with blind windows; the semicircular arches rest on pilasters. The second level of the chancel features wider windows, also topped by semicircular arches resting on pilasters.\n\nIt is worth noting that one of the side aisles features two keystones salvaged from the ruins following the 1944 bombing (see below).\n\nIn the 19th century, during the reconstruction, the appearance was altered and the openings were enlarged. In the nave, the wooden vault dates from the 1860s. \nIn the apse, excavations carried out during the church\u2019s restoration revealed the foundations of pillars. It was on the basis of this discovery that the Department of Fine Arts decided to reconstruct them, even though they did not exist prior to 1944.\nAs for the bell tower, its roof was originally made of timber covered with slate; today, the roof is made of tiles.\n\nObjects / Points of interest:\n\nFuneral slab (listed object \u2013 CLMH 1908)\nDate of creation: c. 1577 \nTombstone of Marie Mourin, wife of Jehans d\u2019Aillefest, who died in 1577. \n\nKeystones: Saint Nicholas and Saint Vigor (listed object \u2013 ISMH 1988)\nThese carved keystones date from the 15th or 16th century. \nCarved stone\nOne depicts Saint Vigor, a bishop wearing a mitre and holding a crosier; he is holding two chained monsters, symbols of paganism. The other depicts Saint Nicholas and the miraculous legend of the salt-preserving vat.\n\nCapitals (listed as a heritage site \u2013 ISMH 1988)\nDating from the Middle Ages, restored in 2017.\nCarved stone \nDepicting two monks\u2019 heads\nRestorers Thomas Bonneau and Pauline Carminati detected traces of polychromy, revealing that this piece was originally very colourful and not the natural stone colour it appears to be today.\n\nConfessional (listed as an ISMH heritage item since 1985)\n18th century\nCarved wood\nConfessional with a scalloped design. \n\nStatue: Christ on the Cross (listed as an ISMH heritage item since 1985)\n19th century\nCarved wood"@en . "Seit dem 30. Juli 1910 unter Denkmalschutz\n\nGeschichte:\nErste H\u00E4lfte des 12. und 20. Jahrhunderts.\n\nVom Architekturb\u00FCro \u201EBeaux-Arts\u201C unter der Leitung des Architekten Merlet bemerkenswert restauriert \u2013 sie war eines der sch\u00F6nsten romanischen Bauwerke in der Ebene von Caen. \nDer Chor stammt vermutlich aus der ersten H\u00E4lfte des 12. Jahrhunderts, ebenso wie das Querschiff. \nDas Kirchenschiff stammt aus dem 13. Jahrhundert, und die Fassade scheint aus dem sp\u00E4ten 12. oder fr\u00FChen 13. Jahrhundert zu stammen.\n \n\u201EDie Kirche von Cheux ist sehr gro\u00DF und stand im Einklang mit der fr\u00FCheren Bedeutung dieses Ortes, der Hauptort einer Sergenterie der Wahl von Caen war; sie besteht aus einem langen, von Seitenschiffen flankierten Hauptschiff, Querschiffen und einer Apsis sowie zwei an die Apsis angebauten Kapellen auf jeder Seite, %E0 \u00F6stlich des Querschiffs.\u201C (Arcisse de Caumont 1-215)\nDenkmalstatistik des Calvados. Band 1 / von M. de Caumont,... | Gallica \n\nZur Zeit der Befreiung, w\u00E4hrend der Bombardierungen von 1944, sprengten die Deutschen Munition, die im Turm deponiert war; dieser wurde ebenso zerst\u00F6rt wie zwei Drittel der Kirche. Die Kapellen, von denen Arcisse de Caumont spricht, sind verschwunden.\n\nDie Glasmalereien der Kirche von Cheux waren vor der Zerst\u00F6rung am Mont-Saint-Michel angefertigt worden. \n \nM. Than, Professor am Coll\u00E8ge des Arts und Universit\u00E4tsrektor, war im 18. Jahrhundert Pfarrer von Cheux. Er starb 1765 und war Verfasser einer lateinischen und franz\u00F6sischen Grammatik.\n \nGewidmet dem Heiligen Vigor, Bischof von Bayeux um 538, einem Zeitgenossen von Chlodwig. \nDer Heilige Vigor wurde lange Zeit in den Kl\u00F6stern verehrt, die von Eudes, dem Bischof von Bayeux und Bruder von Wilhelm, im 11. Jahrhundert gegr\u00FCndet worden waren. Der Legende nach soll er einen Schwarm verheerender G\u00E4nse in eine andere Richtung gelenkt und anschlie\u00DFend einen Drachen vertrieben haben, der die Region verw\u00FCstete. Etwas ernster betrachtet, beseitigte er die \u00DCberreste des Heidentums im Bessin. Ihm werden auch zwei weitere Wunder dieser Art zugeschrieben, eines hier in Cheux, das im 6. Jahrhundert CELLA hie\u00DF, und eines in Cambremer, damals CAMERON.\n \nArchitektur:\nDer Chor und das Querschiff sind im romanischen Stil (12. Jahrhundert) gehalten. \n\nGrundriss: Diese Kirche mit lateinischem Kreuzgrundriss besitzt acht Joche und ist nach Osten ausgerichtet. Das Hauptschiff wird von zwei Seitenschiffen flankiert. \u00DCber das Querschiff gelangt man in den Chor. \u00DCber dem Querschiff erhebt sich ein Glockenturm mit Pavillon. Das Hauptschiff wird von einem Satteldach \u00FCberdacht, die Seitenschiffe von einem Pultdach und der Chor von einem Walmdach.\n\nAu\u00DFenansicht: Die Kirche Saint-Vigor besteht aus zwei Stockwerken: den gro\u00DFen Arkaden im ersten und den hohen Fenstern im zweiten. Die Fassade spiegelt das Innere der Kirche wider, da man das Hauptschiff von den Seitenschiffen unterscheiden kann. Au\u00DFerdem fallen die romanischen Strebepfeiler zu beiden Seiten des Portals ins Auge; kleinere Strebepfeiler befinden sich an den n\u00F6rdlichen und s\u00FCdlichen Enden der Fassade. Diese Fassade weist drei Stockwerke auf.\n\nDas Portal befindet sich im ersten Stockwerk: Es wird durch eine Arkade aus drei B\u00F6gen monumental hervorgehoben. Diese B\u00F6gen erinnern an die Dreifaltigkeit. Die kleinen Seitenb\u00F6gen (im Stil eines Spitzbogens) sind blind und ruhen auf Pilastern. Der gro\u00DFe Bogen, der das Eingangsportal umrahmt (ein abgesenkter Spitzbogen), besteht aus drei Pfeilern und drei Bogenh\u00E4lsen; er besitzt ein Tympanon ohne skulpturale Verzierungen. Zu beiden Seiten der Mittelfassade sind zwei Spitzbogenfenster zu sehen, die von Rundb\u00F6gen \u00FCberragt werden, welche auf Pilaster aufliegen. Diese Spitzbogenfenster f\u00FChren in die Seitenschiffe.\n\nDie zweite Ebene der Fassade folgt dem Aufbau der ersten: Es gibt eine Arkade mit drei B\u00F6gen (hier als Tonnengew\u00F6lbe), deren seitliche B\u00F6gen blind sind. Der mittlere Bogen beherbergt ein Fenster. \nDie dritte Ebene weist eine Rosette auf (bei der es sich um ein romanisches Fenster handelt).\n\nDie Seitenw\u00E4nde (im Norden und S\u00FCden) bestehen aus zwei Ebenen. Man unterscheidet zwischen dem Aufriss des Hauptschiffs (f\u00FCnf Joche) und dem des Chors (zwei Joche). Die W\u00E4nde des Kirchenschiffs werden von einem Gesims mit Modillonen gekr\u00F6nt. \nDas Gesims verl\u00E4uft nicht durchgehend, da es durch Strebepfeiler in mehrere Abschnitte unterteilt wird. Auf jeder Ebene befinden sich vier Strebepfeiler. Auf der ersten Ebene wechseln sich diese Strebepfeiler mit kleinen, langgestreckten Fenster\u00F6ffnungen ab. Auf der zweiten Ebene trennen die Strebepfeiler f\u00FCnf Dreiergruppen von Fenster\u00F6ffnungen, deren mittlere \u00D6ffnung durchbrochen ist und eine Lanzetten\u00F6ffnung aufweist. Was die Seitenw\u00E4nde des Chors betrifft, so befinden sich im zweiten Stockwerk zwei zwillingsartige Spitzbogenfenster, die durch einen romanischen St\u00FCtzpfeiler voneinander getrennt sind. Der Querschiffarm weist zudem drei romanische Strebepfeiler, ein Portal (\u00FCberragt von einem Keilbogengew\u00F6lbe) n\u00F6rdlich der S\u00FCdfassade sowie zwei Spitzbogenfenster auf.\n\nDer Glockenturm, der von einem Gesims mit Modillonen gekr\u00F6nt wird, besteht aus zwei Stockwerken. Auf jeder Seite befinden sich im ersten Stockwerk f\u00FCnf Fenster, von denen nur zwei durchbrochen sind (es gibt einen Wechsel). Das zweite Stockwerk weist an der Nord- und S\u00FCdseite jeweils vier Fenster auf: Die beiden mittleren Fenster sind als Zwillingsfenster ausgef\u00FChrt, alle Fenster sind von einem Rundbogen \u00FCberragt. Die zweite Etage weist an der West- und Ostseite f\u00FCnf Fenster auf: Die drei mittleren Fenster sind durchbrochen, jedes Fenster ist durch eine Arkade mit Rundb\u00F6gen unterteilt.\n\nDie Apsis ist halbkreisf\u00F6rmig und umfasst drei Stockwerke. \nDas Dach wird von einem Gesims mit Modillonen gekr\u00F6nt. Die Apsis wird durch mehrere Pilaster gegliedert, die sich \u00FCber alle drei Stockwerke erstrecken. Das erste Stockwerk weist drei Blindarkaden mit drei \u00FCberh\u00F6hten Tonnenb\u00F6gen auf. Diese B\u00F6gen ruhen auf vier Pilastern. Die zweite Ebene umfasst drei Fenster\u00F6ffnungen, die wiederum durch die gro\u00DFen Pilaster voneinander getrennt sind. Diese Fenster\u00F6ffnungen werden jeweils von einem Rundbogen \u00FCberragt und nehmen nur die H\u00E4lfte der H\u00F6he der zweiten Ebene ein. Das dritte Stockwerk beherbergt drei gro\u00DFe Fenster\u00F6ffnungen, die von Rundb\u00F6gen \u00FCberragt werden. Eine skulpturale Verzierung kr\u00F6nt jede dieser drei Fenster\u00F6ffnungen und hebt sie dadurch besonders hervor. Somit bildet die Ostfassade den Chor. Man kann auch das Hauptschiff von den Seitenschiffen unterscheiden, da drei Giebel zu sehen sind (einer f\u00FCr das Hauptschiff und zwei f\u00FCr die Seitenschiffe).\n\nInnenaufbau: Das Hauptschiff verf\u00FCgt \u00FCber ein gebrochenes Tonnengew\u00F6lbe, die Seitenschiffe \u00FCber ein Rundbogengew\u00F6lbe. \nAuf der ersten Ebene bestehen die gro\u00DFen Arkaden aus tiefgelegten Spitzb\u00F6gen, die durch Pilaster mit Kapitellen getrennt sind, die pflanzliche Motive darstellen. Diese B\u00F6gen ruhen auf Pfeilern, die abwechselnd rund oder rund und von S\u00E4ulen flankiert sind. \nAuf der zweiten Ebene werden die hohen Fenster von Keilbogengew\u00F6lben gekr\u00F6nt und von Pilastern flankiert. \nDer Eingang zum Querschiff ist von romanischen Strebepfeilern umgeben. Die B\u00F6gen im Querschiff sind \u00DCberh\u00F6hb\u00F6gen und ruhen auf Pilastern. \n\nDer Chor wird dank der Fenster\u00F6ffnungen auf beiden Ebenen von Licht durchflutet. Die Fenster der ersten Ebene wechseln sich mit Blindfenstern ab; die Rundb\u00F6gen ruhen auf Pilastern. Die zweite Ebene des Chors weist breitere Fenster auf, die ebenfalls von Rundb\u00F6gen gekr\u00F6nt sind, welche auf Pilastern ruhen.\n\nHinzu kommt, dass eines der Seitenschiffe zwei Gew\u00F6lbeschl\u00FCssel aufweist, die nach der Bombardierung von 1944 aus den Tr\u00FCmmern geborgen wurden (siehe unten).\n\nIm 19. Jahrhundert wurde im Zuge des Wiederaufbaus das Erscheinungsbild ver\u00E4ndert und die \u00D6ffnungen wurden vergr\u00F6\u00DFert. Im Kirchenschiff stammt das Holzwalldach aus den 1860er Jahren. \nIn der Apsis wurden bei Ausgrabungen im Rahmen der Restaurierung der Kirche Pfeilerfundamente entdeckt. Aufgrund dieser Entdeckung beschloss die Denkmalschutzbeh\u00F6rde, diese S\u00E4ulen wiederherzustellen, obwohl sie vor 1944 nicht existierten.\nWas den Glockenturm betrifft, so bestand sein Dach urspr\u00FCnglich aus Holz, das mit Schiefer gedeckt war; heute besteht das Dach aus Dachziegeln.\n\nInteressante Objekte / Elemente:\n\nGrabplatte (denkmalgesch\u00FCtztes Objekt \u2013 CLMH 1908)\nEntstehungsdatum: um 1577 \nGrabplatte von Marie Mourin, Ehefrau von Jehans d\u2019Aillefest, verstorben 1577. \n\nGew\u00F6lbeschl\u00FCssel: Der Heilige Nikolaus und der Heilige Vigor (eingetragenes Objekt \u2013 ISMH 1988)\nDiese geschnitzten Gew\u00F6lbeschl\u00FCssel stammen aus dem 15. oder 16. Jahrhundert. \nBehauener Stein\nDer eine zeigt den Heiligen Vigor, einen Bischof mit Mitra und Bischofsstab in der Hand; er h\u00E4lt zwei angekettete Ungeheuer fest, Symbole des Heidentums. Der andere zeigt den Heiligen Nikolaus und die wundersame Legende vom Salzfass.\n\nKapitelle (denkmalgesch\u00FCtzt \u2013 ISMH 1988)\nStammen aus dem Mittelalter, 2017 restauriert.\nBehauener Stein \nStellt zwei M\u00F6nchsk\u00F6pfe dar\nDie Restauratoren Thomas Bonneau und Pauline Carminati haben dort Spuren von Polychromie entdeckt, was darauf hindeutet, dass\u2026dieses St\u00FCck urspr\u00FCnglich sehr farbenfroh war und nicht, wie es derzeit erscheint, in Natursteinfarbe gehalten war.\n\nBeichtstuhl (eingetragenes Objekt \u2013 ISMH 1985)\n18. Jahrhundert\nGeschnitztes Holz\nBeichtstuhl mit geschwungener Form. \n\nStatue: Christus am Kreuz (eingetragenes Objekt \u2013 ISMH 1985)\n19. Jahrhundert\nGeschnitztes Holz"@de . "Class\u00E9e monument historique depuis le 30 juillet 1910\n\nHistoire :\nPremi\u00E8re moiti\u00E9 du XIIe et XXe si\u00E8cles.\n\nRemarquablement reconstitu\u00E9e par les Beaux-Arts par l\u2019architecte Merlet \u00AB elle \u00E9tait l\u2019un des plus beaux \u00E9difices romans de la plaine de Caen \u00BB. \nLe c\u0153ur daterait de la premi\u00E8re moiti\u00E9 du XIIe si\u00E8cle ainsi que le transept. \nLa nef appartenait au XIIIe si\u00E8cle et la fa\u00E7ade paraissait \u00EAtre de la fin du XIIe ou d\u00E9but du XIIIe si\u00E8cle.\n \n\"L'\u00E9glise de Cheux est fort grande et se trouvait en rapport avec l'importance ancienne de cette bourgade, chef-lieu d'une sergenterie de l'\u00E9lection de Caen; elle est compos\u00E9e d'une longue nef bord\u00E9e de bas c\u00F4t\u00E9s, de transepts et d'une abside et de deux chapelles appliqu\u00E9es de chaque c\u00F4t\u00E9 de l'abside, \u00E0 l'est du transept.\" (Arcisse de Caumont 1-215)\nStatistique monumentale du Calvados. Tome 1 / par M. de Caumont,... | Gallica \n\nAu moment de la Lib\u00E9ration, lors des bombardements de 1944, les Allemands ont fait exploser des munitions plac\u00E9es dans la tour qui a \u00E9t\u00E9 d\u00E9truite ainsi que les 2/3 de l\u2019\u00E9glise. Les chapelles dont parle Arcisse de Caumont ont disparu.\n\nLes vitraux de l\u2019\u00E9glise de Cheux, avant la destruction, avaient \u00E9t\u00E9 r\u00E9alis\u00E9s au Mont-Saint-Michel. \n \nM.Than, professeur au coll\u00E8ge des Arts et Recteurs d\u2019universit\u00E9, a \u00E9t\u00E9 cur\u00E9 de Cheux au XVIIIe si\u00E8cle. Mort en 1765, il est l\u2019auteur d\u2019une grammaire latine et fran\u00E7aise.\n \nD\u00E9di\u00E9e \u00E0 Saint Vigor, \u00E9v\u00EAque de Bayeux vers 538, contemporain de Clovis. \nSaint Vigor fut longtemps v\u00E9n\u00E9r\u00E9 aux monast\u00E8res fond\u00E9s par Eudes, \u00E9v\u00EAque de Bayeux, fr\u00E8re de Guillaume au XI\u00E8me si\u00E8cle. Il aurait, selon la l\u00E9gende, fait d\u00E9vier un vol d\u2019oies d\u00E9vastatrices et puis serait arriv\u00E9 \u00E0 faire dispara\u00EEtre un dragon qui d\u00E9vastait la r\u00E9gion. Plus s\u00E9rieusement, il d\u00E9truisit les restes du paganisme dans le Bessin. On lui attribue aussi deux autres miracles du m\u00EAme type, un ici \u00E0 Cheux qui, au VI\u00E8me si\u00E8cle, s\u2019appelait CELLA, et un \u00E0 Cambremer, CAMERON \u00E0 l\u2019\u00E9poque.\n \nArchitecture:\nLe ch\u0153ur et le transept sont de style roman (XIIe si\u00E8cle). \n\nPlan: cette \u00E9glise, de plan en croix latine, poss\u00E8de huit trav\u00E9es et est orient\u00E9e (c\u2019est-\u00E0-dire tourn\u00E9e vers l\u2019Est). La nef est flanqu\u00E9e de deux collat\u00E9raux. Le transept permet d\u2019acc\u00E9der au ch\u0153ur. Un clocher \u00E0 pavillon prend place au-dessus du transept. La nef est coiff\u00E9e d\u2019un toit en b\u00E2ti\u00E8re, les collat\u00E9raux d\u2019un toit en appentis et le ch\u0153ur d\u2019un toit en croupe.\n\n\u00C9l\u00E9vation ext\u00E9rieure: l\u2019\u00E9glise Saint Vigor est compos\u00E9e de deux niveaux : les grandes arcades au premier et les fen\u00EAtres hautes au second. La fa\u00E7ade refl\u00E8te l\u2019int\u00E9rieur de l\u2019\u00E9glise puisque l\u2019on peut distinguer la nef des collat\u00E9raux. Par ailleurs, on remarque la pr\u00E9sence de contreforts romans de part et d\u2019autre du portails ; des contreforts plus petits se trouvent aux extr\u00E9mit\u00E9s Nord et Sud de la fa\u00E7ade. Cette fa\u00E7ade pr\u00E9sente trois niveaux d'\u00E9l\u00E9vation.\n\nLe portail se trouve au premier niveau : il est monumentalis\u00E9 par la pr\u00E9sence d\u2019une arcature form\u00E9e de trois arcs. Ces derniers rappellent la Trinit\u00E9. Les petits arcs lat\u00E9raux (de type arc bris\u00E9) sont aveugles et retombent sur des pilastres. Le grand arcs abritant le portail d\u2019entr\u00E9e (de type arc bris\u00E9 surbaiss\u00E9) est compos\u00E9 de trois pi\u00E9droits et trois voussures ; il poss\u00E8de un tympan sans d\u00E9cor sculpt\u00E9. De part et d\u2019autre de la fa\u00E7ade centrale, on peut voir deux lancettes surmont\u00E9es d\u2019arcs en plein cintres qui retombent sur des pilastres. Ces lancettes donnent sur les collat\u00E9raux.\n\nLe second niveau de la fa\u00E7ade suit l\u2019organisation du premier : on retrouve une arcature de trois arcs (ici en berceau) dont les lat\u00E9raux sont aveugles. L\u2019arc central accueille une baie. \nLe troisi\u00E8me niveau pr\u00E9sente une rose (qui est une baie romane).\n\nPour ce qui est des murs gouttereaux (au Nord et au Sud), ils sont compos\u00E9s de deux niveaux. On distingue l\u2019\u00E9l\u00E9vation de la nef (cinq trav\u00E9es) et celle du ch\u0153ur (deux trav\u00E9es). Les murs de la nef sont surmont\u00E9s d\u2019une corniche \u00E0 modillons. \nLa corniche n\u2019est pas continue puisque les contreforts la divisent en plusieurs parties. Il y a quatre contreforts sur chaque niveau. Au premier niveau, ces contreforts alternent avec de petites baies allong\u00E9es. Au second niveau, les contreforts s\u00E9parent cinq triplets de baies dont l\u2019ouverture centrale est ajour\u00E9e et accueille une lancette. Pour ce qui est des murs gouttereaux du ch\u0153ur, le second niveau accueille deux baies en lancette g\u00E9min\u00E9es et s\u00E9par\u00E9es par un contrefort roman. D\u2019autre part, le bras du transept accueille trois contreforts romans, une porte (surmont\u00E9e d'un arc en plein cintre clav\u00E9) au Nord de la face Sud et deux lancettes.\n\nLe clocher, surmont\u00E9 d\u2019une corniche \u00E0 modillons, est compos\u00E9 de deux niveaux. Sur chaque face, le premier niveau accueille cinq baies dont seulement deux sont ajour\u00E9es (il y a alternance). Le second niveau accueille quatre baies sur les faces Nord et Sud : les deux baies centrales sont g\u00E9min\u00E9es, toutes les baies sont surmont\u00E9es d\u2019un arc en plein cintre. Le second niveau comporte cinq baies sur les faces Ouest et Est : les trois baies centrales sont ajour\u00E9es, chaque baie est s\u00E9par\u00E9e par une arcature avec des arcs en plein cintre.\n\nLe chevet adopte une forme semi-circulaire et comporte trois niveaux. \nLa toiture surmonte une corniche \u00E0 modillons. Le chevet est rythm\u00E9 par plusieurs pilastres qui s\u2019\u00E9tendent sur les trois niveaux. Le premier niveau accueille trois arcatures aveugles \u00E0 trois arcs en berceau outrepass\u00E9s. Ces arcs retombent sur quatre pilastres. Le second niveau comporte trois baies, l\u00E0 encore s\u00E9par\u00E9es par les grands pilastres. Ces baies sont chacune surmont\u00E9es d\u2019un arc en plein cintre et n\u2019occupe que la moiti\u00E9 de la hauteur du second niveau. Le troisi\u00E8me niveau accueille trois grandes baies surmont\u00E9es d\u2019un arcs en plein cintre. Un d\u00E9cor sculpt\u00E9 couronne chacune de ces trois baies, les mettant ainsi en valeur. Ainsi, la fa\u00E7ade Est accueille le chevet. On peut aussi distinguer la nef des collat\u00E9raux puisque l\u2019on voit trois pignons (un pour la nef et deux pour les collat\u00E9raux.\n\n\u00C9l\u00E9vation int\u00E9rieure: la nef poss\u00E8de une charpente en berceau bris\u00E9 et les collat\u00E9raux une charpente en berceau en plein cintre. \nAu premier niveau, les grandes arcades sont compos\u00E9es d\u2019arcs bris\u00E9s surbaiss\u00E9s, s\u00E9par\u00E9s par des pilastres aux chapiteaux repr\u00E9sentant des motifs v\u00E9g\u00E9taux. Ces arcs retombent sur des piliers alternant entre forme circulaire et forme circulaire flanqu\u00E9e de colonnes. \nAu second niveau, les fen\u00EAtres hautes sont coiff\u00E9es d\u2019arcs en plein cintre clav\u00E9s et flanqu\u00E9es de pilastres. \nL\u2019entr\u00E9e du transept est cern\u00E9e de contreforts romans. Les arcs que l\u2019on retrouve au niveau du transept sont des arcs outrepass\u00E9s et ils retombent sur des pilastres. \n\nLe ch\u0153ur est baign\u00E9 de lumi\u00E8re gr\u00E2ce aux baies que l\u2019on retrouve sur les deux niveaux. Les baies du premier niveau sont en alternance avec des baies aveugles ; les arcs en plein cintre retombent sur des pilastres. Le second niveau du ch\u0153ur accueille des baies plus larges, elles aussi coiff\u00E9es d\u2019arcs en plein cintre retombant sur des pilastres.\n\nAjoutons que l\u2019un des collat\u00E9raux pr\u00E9sente deux cl\u00E9s de vo\u00FBte r\u00E9cup\u00E9r\u00E9es dans les ruines apr\u00E8s le bombardement de 1944(voir ci-dessous).\n\nAu XIXe si\u00E8cle, lors de la reconstruction, l\u2019allure a \u00E9t\u00E9 modifi\u00E9e et les ouvertures ont \u00E9t\u00E9 agrandies. Dans la nef, la vo\u00FBte en bois date des ann\u00E9es 1860. \nDans l\u2019abside, des fouilles r\u00E9alis\u00E9es pendant la restauration de l\u2019\u00E9glise ont permis de d\u00E9couvrir des fondations de piliers. C\u2019est en fonction de cette d\u00E9couverte que les Beaux-Arts ont d\u00E9cid\u00E9 de les reconstruire alors qu\u2019ils n\u2019existaient pas avant 1944.\nPour ce qui est du clocher, son toit \u00E9tait fait de bois recouvert d\u2019ardoises ; le toit est aujourd\u2019hui compos\u00E9 de tuiles.\n\nObjets / \u00C9l\u00E9ments int\u00E9ressants :\n\nDalle fun\u00E9raire (objet class\u00E9 - CLMH 1908)\nDate de cr\u00E9ation : vers 1577 \nDalle de Marie Mourin femme de Jehans d'Aillefest morte en 1577. \n\nClefs de vo\u00FBte : Saint-Nicolas et Saint Vigor (objet inscrit - ISMH 1988)\nCes clefs de vo\u00FBte sculpt\u00E9es datent du 15e si\u00E8cle ou du 16e si\u00E8cle. \nPierre taill\u00E9e\nL\u2019une repr\u00E9sente Saint Vigor, \u00E9v\u00EAque mitr\u00E9, crosse \u00E0 la main, il tient deux monstres encha\u00EEn\u00E9s, symboles du paganisme. L\u2019autre repr\u00E9sente Saint Nicolas et la l\u00E9gende miraculeuse du saloir.\n\nChapiteaux (objet inscrit - ISMH 1988)\nDatent du Moyen Age, restaur\u00E9s en 2017.\nPierre taill\u00E9e \nRepr\u00E9sentent deux t\u00EAtes de moines\nLes restaurateurs Thomas Bonneau et Pauline Carminati y ont d\u00E9cel\u00E9 des traces de polychromie, ce qui r\u00E9v\u00E8le qu\u2019\u00E0 l\u2019origine cette pi\u00E8ce \u00E9tait tr\u00E8s color\u00E9e et non pas ton pierre comme elle appara\u00EEt actuellement.\n\nConfessionnal (objet inscrit - ISMH 1985)\nXVIII\u00E8me si\u00E8cle\nBois taill\u00E9\nConfessionnal de forme chantourn\u00E9e. \n\nStatue : Christ en Croix (objet inscrit - ISMH 1985)\nXIX\u00E8me si\u00E8cle\nBois taill\u00E9"@fr . "Declarado monumento hist\u00F3rico desde el 30 de julio de 1910\n\nHistoria:\nPrimera mitad de los siglos XII y XX.\n\nReconstruida de forma notable por el Departamento de Bellas Artes bajo la direcci\u00F3n del arquitecto Merlet \u2014\u00ABera uno de los edificios rom\u00E1nicos m\u00E1s bellos de la llanura de Caen\u00BB\u2014. \nSe cree que el presbiterio data de la primera mitad del siglo XII, al igual que el crucero. \nLa nave data del siglo XIII y la fachada parece ser de finales del siglo XII o principios del XIII.\n \n\u00ABLa iglesia de Cheux es muy grande y estaba en consonancia con la antigua importancia de esta localidad, capital de una sargent\u00EDa de la elecci\u00F3n de Caen; est\u00E1 compuesta por una larga nave flanqueada por naves laterales, transeptos, un \u00E1bside y dos capillas adosadas a cada lado del \u00E1bside, al este del crucero\u00BB. (Arcisse de Caumont 1-215)\nEstad\u00EDstica monumental de Calvados. Tomo 1 / por M. de Caumont,... | Gallica \n\nEn el momento de la Liberaci\u00F3n, durante los bombardeos de 1944, los alemanes hicieron explotar municiones colocadas en la torre, que qued\u00F3 destruida, al igual que dos tercios de la iglesia. Las capillas de las que habla Arcisse de Caumont han desaparecido.\n\nLas vidrieras de la iglesia de Cheux, antes de su destrucci\u00F3n, se hab\u00EDan realizado en el Mont-Saint-Michel. \n \nM. Than, profesor del Colegio de las Artes y rector de universidad, fue p\u00E1rroco de Cheux en el siglo XVIII. Fallecido en 1765, es autor de una gram\u00E1tica latina y francesa.\n \nDedicada a San Vigor, obispo de Bayeux hacia el a\u00F1o 538, contempor\u00E1neo de Clodoveo. \nSan Vigor fue venerado durante mucho tiempo en los monasterios fundados por Eudes, obispo de Bayeux y hermano de Guillermo, en el siglo XI. Seg\u00FAn la leyenda, habr\u00EDa desviado una bandada de gansos que causaba estragos y, posteriormente, habr\u00EDa logrado hacer desaparecer a un drag\u00F3n que asolaba la regi\u00F3n. Hablando m\u00E1s en serio, acab\u00F3 con los vestigios del paganismo en el Bessin. Tambi\u00E9n se le atribuyen otros dos milagros del mismo tipo: uno aqu\u00ED, en Cheux \u2014que en el siglo VI se llamaba CELLA\u2014, y otro en Cambremer, que en aquella \u00E9poca se llamaba CAMERON.\n \nArquitectura:\nEl coro y el crucero son de estilo rom\u00E1nico (siglo XII). \n\nPlanta: esta iglesia, de planta en cruz latina, cuenta con ocho tramos y est\u00E1 orientada (es decir, dirigida hacia el este). La nave central est\u00E1 flanqueada por dos naves laterales. El crucero permite acceder al coro. Sobre el crucero se alza un campanario en forma de pabell\u00F3n. La nave est\u00E1 cubierta por un tejado a dos aguas, las naves laterales por un tejado a un agua y el coro por un tejado a cuatro aguas.\n\nPerfil exterior: la iglesia de San Vigor se compone de dos niveles: las grandes arcadas en el primero y las ventanas altas en el segundo. La fachada refleja el interior de la iglesia, ya que se puede distinguir la nave de las naves laterales. Adem\u00E1s, destaca la presencia de contrafuertes rom\u00E1nicos a ambos lados del p\u00F3rtico; mientras que en los extremos norte y sur de la fachada se encuentran contrafuertes m\u00E1s peque\u00F1os. Esta fachada presenta tres niveles de elevaci\u00F3n.\n\nEl p\u00F3rtico se encuentra en el primer nivel: su aspecto monumental se debe a la presencia de una arcada formada por tres arcos. Estos \u00FAltimos evocan la Trinidad. Los peque\u00F1os arcos laterales (de tipo arco quebrado) son ciegos y descansan sobre pilastras. El gran arco que alberga el portal de entrada (de tipo arco quebrado rebajado) est\u00E1 compuesto por tres pilares y tres dovelas; posee un t\u00EDmpano sin decoraci\u00F3n esculpida. A ambos lados de la fachada central se pueden ver dos ventanas ojivales coronadas por arcos de medio punto que descansan sobre pilastras. Estas ventanas dan a las naves laterales.\n\nEl segundo nivel de la fachada sigue la disposici\u00F3n del primero: presenta una arcada de tres arcos (en este caso, de medio punto) cuyos arcos laterales son ciegos. El arco central alberga una ventana. \nEl tercer nivel presenta un roset\u00F3n (que es una ventana rom\u00E1nica).\n\nEn cuanto a los muros laterales (al norte y al sur), est\u00E1n compuestos por dos niveles. Se distingue la elevaci\u00F3n de la nave (cinco tramos) y la del coro (dos tramos). Los muros de la nave est\u00E1n coronados por una cornisa con modillones. \nLa cornisa no es continua, ya que los contrafuertes la dividen en varias partes. Hay cuatro contrafuertes en cada nivel. En el primer nivel, estos contrafuertes se alternan con peque\u00F1as ventanas alargadas. En el segundo nivel, los contrafuertes separan cinco grupos de tres ventanas, cuya abertura central est\u00E1 calada y alberga una lanceta. En cuanto a los muros laterales del coro, el segundo nivel alberga dos ventanas en lanceta geminadas y separadas por un contrafuerte rom\u00E1nico. Por otra parte, el brazo del crucero cuenta con tres contrafuertes rom\u00E1nicos, una puerta (coronada por un arco de medio punto con clave) al norte de la fachada sur y dos ventanas en forma de lanceta.\n\nEl campanario, coronado por una cornisa con modillones, se compone de dos niveles. En cada fachada, el primer nivel alberga cinco vanos, de los cuales solo dos est\u00E1n calados (hay alternancia). El segundo nivel cuenta con cuatro vanos en las fachadas norte y sur: los dos vanos centrales son geminados, y todos los vanos est\u00E1n coronados por un arco de medio punto. El segundo nivel cuenta con cinco vanos en las fachadas oeste y este: los tres vanos centrales est\u00E1n calados, y cada uno de ellos est\u00E1 separado por una arcada con arcos de medio punto.\n\nLa cabecera tiene forma semicircular y consta de tres niveles. \nLa cubierta se asienta sobre una cornisa con modillones. La cabecera est\u00E1 ritmada por varias pilastras que se extienden a lo largo de los tres niveles. El primer nivel alberga tres arcadas ciegas con tres arcos de ca\u00F1\u00F3n sobredimensionados. Estos arcos descansan sobre cuatro pilastras. El segundo nivel cuenta con tres vanos, tambi\u00E9n separados por grandes pilastras. Cada uno de estos vanos est\u00E1 coronado por un arco de medio punto y ocupa solo la mitad de la altura del segundo nivel. El tercer nivel alberga tres grandes vanos coronados por arcos de medio punto. Una decoraci\u00F3n esculpida corona cada uno de estos tres vanos, resalt\u00E1ndolos as\u00ED. De este modo, la fachada este alberga la cabecera. Tambi\u00E9n se puede distinguir la nave central de las naves laterales, ya que se observan tres frontones (uno para la nave central y dos para las naves laterales).\n\nEstructura interior: la nave central cuenta con una b\u00F3veda de ca\u00F1\u00F3n quebrada y las naves laterales, con una b\u00F3veda de ca\u00F1\u00F3n de medio punto. \nEn el primer nivel, las grandes arcadas est\u00E1n compuestas por arcos quebrados rebajados, separados por pilastras con capiteles que representan motivos vegetales. Estos arcos descansan sobre pilares que alternan entre la forma circular y la forma circular flanqueada por columnas. \nEn el segundo nivel, las ventanas altas est\u00E1n coronadas por arcos de medio punto con clave y flanqueadas por pilastras. \nLa entrada al crucero est\u00E1 rodeada de contrafuertes rom\u00E1nicos. Los arcos que se encuentran en el crucero son arcos de paso y descansan sobre pilastras. \n\nEl coro est\u00E1 ba\u00F1ado de luz gracias a las ventanas que se encuentran en ambos niveles. Las ventanas del primer nivel se alternan con ventanas ciegas; los arcos de medio punto descansan sobre pilastras. El segundo nivel del coro alberga ventanas m\u00E1s anchas, tambi\u00E9n coronadas por arcos de medio punto que descansan sobre pilastras.\n\nCabe a\u00F1adir que una de las naves laterales presenta dos claves de b\u00F3veda recuperadas de entre las ruinas tras el bombardeo de 1944 (v\u00E9ase m\u00E1s abajo).\n\nEn el siglo XIX, durante la reconstrucci\u00F3n, se modific\u00F3 el aspecto y se ampliaron las aberturas. En la nave, la b\u00F3veda de madera data de la d\u00E9cada de 1860. \nEn el \u00E1bside, las excavaciones realizadas durante la restauraci\u00F3n de la iglesia permitieron descubrir los cimientos de unos pilares. A ra\u00EDz de este hallazgo, el Departamento de Bellas Artes decidi\u00F3 reconstruirlos, aunque no exist\u00EDan antes de 1944.\nEn cuanto al campanario, su tejado era de madera cubierta de pizarra; actualmente, el tejado est\u00E1 compuesto por tejas.\n\nObjetos / elementos de inter\u00E9s:\n\nL\u00E1pida funeraria (objeto catalogado - CLMH 1908)\nFecha de creaci\u00F3n: hacia 1577 \nL\u00E1pida de Marie Mourin, esposa de Jehans d'Aillefest, fallecida en 1577. \n\nClaves de b\u00F3veda: San Nicol\u00E1s y San Vigor (objeto inscrito - ISMH 1988)\nEstas claves de b\u00F3veda esculpidas datan del siglo XV o del siglo XVI. \nPiedra tallada\nUna de ellas representa a San Vigor, obispo con mitra, con el b\u00E1culo en la mano, sujetando a dos monstruos encadenados, s\u00EDmbolos del paganismo. La otra representa a San Nicol\u00E1s y la leyenda milagrosa de la salera.\n\nCapiteles (patrimonio protegido - ISMH 1988)\nDatan de la Edad Media y fueron restaurados en 2017.\nPiedra tallada \nRepresentan dos cabezas de monjes.\nLos restauradores Thomas Bonneau y Pauline Carminati han detectado en ellas restos de policrom\u00EDa, lo que revela que\u2026en un principio esta pieza era muy colorida y no ten\u00EDa el tono de la piedra tal y como se ve actualmente.\n\nConfesionario (pieza inscrita en el ISMH desde 1985)\nSiglo XVIII\nMadera tallada\nConfesionario de forma festoneada. \n\nEstatua: Cristo en la cruz (pieza inscrita en el ISMH desde 1985)\nSiglo XIX\nMadera tallada"@es . "Dichiarato monumento storico dal 30 luglio 1910\n\nStoria:\nPrima met\u00E0 del XII e del XX secolo.\n\nRicostruita in modo eccellente dal Dipartimento delle Belle Arti sotto la guida dell\u2019architetto Merlet %AB era uno degli edifici romanici pi\u00F9 belli della pianura di Caen %BB. \nIl coro risalirebbe alla prima met\u00E0 del XII secolo, cos\u00EC come il transetto. \nLa navata risale al XIII secolo e la facciata sembra risalire alla fine del XII o all\u2019inizio del XIII secolo.\n \n\"La chiesa di Cheux \u00E8 molto grande e rifletteva l\u2019antica importanza di questo borgo, capoluogo di una sergenteria dell\u2019elezione di Caen; \u00E8 composta da una lunga navata fiancheggiata da navate laterali, da transetti, da un\u2019abside e da due cappelle adiacenti su ciascun lato dell\u2019abside, a est del transetto.\u201D (Arcisse de Caumont 1-215)\nStatistica monumentale del Calvados. Volume 1 / a cura di M. de Caumont,... | Gallica \n\nAl momento della Liberazione, durante i bombardamenti del 1944, i tedeschi fecero esplodere le munizioni collocate nella torre, che fu distrutta insieme a 2/3 della chiesa. Le cappelle di cui parla Arcisse de Caumont sono andate perdute.\n\nLe vetrate della chiesa di Cheux, prima della distruzione, erano state realizzate al Mont-Saint-Michel. \n \nM. Than, professore al Collegio delle Arti e rettore universitario, fu parroco di Cheux nel XVIII secolo. Morto nel 1765, \u00E8 autore di una grammatica latina e francese.\n \nDedicata a San Vigor, vescovo di Bayeux intorno al 538, contemporaneo di Clodoveo. \nSan Vigor fu a lungo venerato nei monasteri fondati da Eudes, vescovo di Bayeux e fratello di Guglielmo, nell\u2019XI secolo. Secondo la leggenda, avrebbe deviato uno stormo di oche devastatrici e sarebbe poi riuscito a far scomparire un drago che devastava la regione. Pi\u00F9 seriamente, egli sradic\u00F2 i residui del paganesimo nel Bessin. A lui si attribuiscono anche altri due miracoli dello stesso tipo, uno qui a Cheux, che nel VI secolo si chiamava CELLA, e uno a Cambremer, all\u2019epoca denominata CAMERON.\n \nArchitettura:\nIl coro e il transetto sono in stile romanico (XII secolo). \n\nPianta: questa chiesa, a pianta a croce latina, presenta otto campate ed \u00E8 orientata (cio\u00E8 rivolta verso est). La navata centrale \u00E8 affiancata da due navate laterali. Il transetto consente l\u2019accesso al coro. Un campanile a padiglione sorge sopra il transetto. La navata centrale \u00E8 sormontata da un tetto a due falde, le navate laterali da un tetto a una falda e il coro da un tetto a quattro falde.\n\nProspetto esterno: la chiesa di Saint Vigor \u00E8 composta da due livelli: le grandi arcate al primo e le finestre alte al secondo. La facciata rispecchia l\u2019interno della chiesa, poich\u00E9 \u00E8 possibile distinguere la navata centrale dalle navate laterali. Inoltre, si nota la presenza di contrafforti romanici su entrambi i lati del portale; mentre alle estremit\u00E0 nord e sud della facciata si trovano contrafforti pi\u00F9 piccoli. Questa facciata presenta tre livelli di elevazione.\n\nIl portale si trova al primo livello: \u00E8 reso monumentale dalla presenza di un\u2019arcata formata da tre archi. Questi ultimi richiamano la Trinit\u00E0. I piccoli archi laterali (di tipo a sesto acuto) sono ciechi e poggiano su pilastri. Il grande arco che incornicia il portale d\u2019ingresso (di tipo a sesto ribassato) \u00E8 composto da tre montanti e tre chiavi di volta; presenta un timpano privo di decorazioni scolpite. Ai lati della facciata centrale si possono notare due finestre a lancetta sormontate da archi a tutto sesto che poggiano su pilastri. Queste finestre si affacciano sulle navate laterali.\n\nIl secondo livello della facciata segue la struttura del primo: vi si trova un\u2019arcata di tre archi (qui a botte) i cui archi laterali sono ciechi. L\u2019arco centrale ospita una finestra. \nIl terzo livello presenta un rosone (che \u00E8 una finestra romanica).\n\nPer quanto riguarda le pareti laterali (a nord e a sud), sono composte da due livelli. Si distinguono l\u2019elevazione della navata (cinque campate) e quella del coro (due campate). Le pareti della navata sono sormontate da un cornicione a modiglioni. \nIl cornicione non \u00E8 continuo poich\u00E9 i contrafforti lo dividono in pi\u00F9 parti. Ci sono quattro contrafforti su ogni livello. Al primo livello, questi contrafforti si alternano a piccole finestre allungate. Al secondo livello, i contrafforti separano cinque gruppi di tre finestre, la cui apertura centrale \u00E8 traforata e ospita una finestra a lancetta. Per quanto riguarda le pareti laterali del coro, il secondo livello ospita due finestre a lancetta geminate e separate da un contrafforte romanico. D\u2019altra parte, il braccio del transetto presenta tre contrafforti romanici, una porta (sormontata da un arco a tutto sesto con chiave di volta) a nord della facciata sud e due finestre a lancetta.\n\nIl campanile, sormontato da una cornice a modiglioni, \u00E8 composto da due livelli. Su ciascuna facciata, il primo livello ospita cinque aperture, di cui solo due sono traforate (si osserva un\u2019alternanza). Il secondo livello presenta quattro aperture sui lati nord e sud: le due aperture centrali sono geminate, tutte le aperture sono sormontate da un arco a tutto sesto. Il secondo livello presenta cinque aperture sui lati ovest ed est: le tre aperture centrali sono traforate, ciascuna delle quali \u00E8 separata da un'arcata con archi a tutto sesto.\n\nL\u2019abside presenta una forma semicircolare e si articola su tre livelli. \nLa copertura \u00E8 sormontata da un cornicione a modiglioni. L\u2019abside \u00E8 scandita da diversi pilastri che si estendono su tutti e tre i livelli. Il primo livello ospita tre arcate cieche con tre archi a botte sovrasalenti. Questi archi poggiano su quattro pilastri. Il secondo livello presenta tre aperture, anch\u2019esse separate dai grandi pilastri. Ciascuna di queste aperture \u00E8 sormontata da un arco a tutto sesto e occupa solo met\u00E0 dell\u2019altezza del secondo livello. Il terzo livello ospita tre grandi aperture sormontate da archi a tutto sesto. Una decorazione scolpita corona ciascuna di queste tre aperture, valorizzandole. La facciata orientale ospita quindi l\u2019abside. \u00C8 inoltre possibile distinguere la navata centrale dalle navate laterali, poich\u00E9 si notano tre frontoni (uno per la navata centrale e due per le navate laterali).\n\nStruttura interna: la navata centrale presenta una volta a botte spezzata, mentre le navate laterali hanno una volta a botte a tutto sesto. \nAl primo livello, le grandi arcate sono composte da archi a sesto ribassato, separati da pilastri con capitelli che raffigurano motivi vegetali. Questi archi poggiano su pilastri che si alternano tra forma circolare e forma circolare affiancata da colonne. \nAl secondo livello, le finestre alte sono sormontate da archi a tutto sesto con chiavetta e affiancate da pilastri. \nL\u2019ingresso del transetto \u00E8 circondato da contrafforti romanici. Gli archi presenti a livello del transetto sono archi a sesto ribassato e poggiano su pilastri. \n\nIl coro \u00E8 inondato di luce grazie alle aperture presenti su entrambi i livelli. Le finestre del primo livello si alternano a finestre cieche; gli archi a tutto sesto poggiano su pilastri. Il secondo livello del coro presenta finestre pi\u00F9 ampie, anch\u2019esse sormontate da archi a tutto sesto che poggiano su pilastri.\n\nAggiungiamo che una delle navate laterali presenta due chiavi di volta recuperate dalle rovine dopo il bombardamento del 1944 (vedi sotto).\n\nNel XIX secolo, in occasione della ricostruzione, l\u2019aspetto fu modificato e le aperture furono ampliate. Nella navata, la volta in legno risale agli anni 1860. \nNell\u2019abside, gli scavi effettuati durante il restauro della chiesa hanno permesso di scoprire le fondamenta di alcuni pilastri. \u00C8 proprio sulla base di questa scoperta che il Dipartimento delle Belle Arti ha deciso di ricostruirli, sebbene non esistessero prima del 1944.\nPer quanto riguarda il campanile, il suo tetto era in legno ricoperto di ardesia; oggi il tetto \u00E8 composto da tegole.\n\nOggetti / Elementi di interesse:\n\nLapide funeraria (oggetto classificato - CLMH 1908)\nData di realizzazione: intorno al 1577 \nLapide di Marie Mourin, moglie di Jehans d'Aillefest, morta nel 1577. \n\nChiavi di volta: San Nicola e San Vigor (oggetto iscritto - ISMH 1988)\nQueste chiavi di volta scolpite risalgono al XV o al XVI secolo. \nPietra scolpita\nUna raffigura San Vigor, vescovo con la mitra, con il pastorale in mano, mentre tiene in pugno due mostri incatenati, simboli del paganesimo. L\u2019altra raffigura San Nicola e la leggenda miracolosa del salaro.\n\nCapitelli (bene iscritto nell\u2019ISMH dal 1988)\nRisalgono al Medioevo, restaurati nel 2017.\nPietra scolpita \nRappresentano due teste di monaci\nI restauratori Thomas Bonneau e Pauline Carminati vi hanno individuato tracce di policromia, il che rivela che%in origine questo pezzo fosse molto colorato e non del colore della pietra come appare attualmente.\n\nConfessionale (oggetto iscritto nell\u2019ISMH 1985)\nXVIII secolo\nLegno intagliato\nConfessionale di forma seghettata. \n\nStatua: Cristo in croce (oggetto iscritto - ISMH 1985)\nXIX secolo\nLegno intagliato"@it . . .